Daarmee komt definitief een einde aan het zogenoemde afbouwbeleid dat meerdere gemeenten er jarenlang op nahielden. Dat beleid was erop gericht om de bewoners te verspreiden en zo een einde te maken aan de woonwagenkampen op het eigen grondgebied. Minister Ollongren heeft het nieuwe beleid vandaag bekendgemaakt in het zogenoemde Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid. Gemeenten moeten volgens de bewindsvrouw voorzien in voldoende standplaatsen. Woonwagenbewoners moeten op die manier vaker binnen een redelijke termijn kans maken op een standplaats. 

Deze provincie telde in het verleden een aantal grote woonwagencentra. Zo was er eind 1975 nog sprake van vijf grote regionale centra, goed voor 285 huishoudens. 

Daarbij ging het om Enschede, Zwolle, Deventer, Hardenberg en Almelo. Daarnaast waren er kleinere groepen woonwagenbewoners gehuisvest in onder meer Goor, Ommen, Diepenveen, Raalte, Gramsbergen, Dalfsen, Kampen, Genemuiden en Steenwijk.

Gaandeweg ontwikkelden gemeenten een beleid om woonwagenbewoners te laten integreren in de rest van de samenleving en zo de woonwagencentra op den duur op te doeken , zo meldt RTV Oost.

Gelijke behandeling
Het College van de Rechten van de Mens en de Nationale Ombudsman oordeelden echter dat dit afbouwbeleid, waarin het aantal standplaatsen op termijn tot nul moest worden teruggebracht, in strijd is met het recht op gelijke behandeling. 

Ook zouden Rijk en gemeenten onvoldoende erkenning hebben voor het streven van woonwagenbewoners om volgens hun eigen culturele identiteit te leven.

De nieuwste nota van Ollongren is een antwoord op de aanbevelingen die het mensenrechtencollege en de Ombudsman deden. Het nieuwste beleid kwam er in samenspraak met diverse wooninstanties en vertegenwoordigers van Roma, Sinti en woonwagenbewoners.

Deventer liep overigens al op dit nieuwe kabinetsbeleid vooruit door te stoppen met het zogenoemde ‘uitsterfbeleid’. Eind vorig jaar werden al 16 nieuwe plekken voor woonwagens gecreëerd.