Zwemmen in een aardbeienbakje 

 

Twee keer in de week zwem ik ’s morgens van zeven tot half acht in De Scheg. 

Dat kon drie maanden lang niet, maar nu is de De Scheg weer open en kan ik weer zwemmen. 

Mét de nodige maatregelen, dat wel. 

Ik moet me vooraf aanmelden en krijg dan een tijdslot toegewezen. 

Eenmaal binnen, is er een looproute. Aangegeven met pijlen, linten en dranghekken. 

Bij de kassa krijg ik een baannummer. 

Er kunnen maximaal twaalf mensen tegelijk zwemmen – zo wordt de Deventer koek eerlijk verdeeld.

Vandaag mag ik zwemmen in baan 10. 

 

Omkleden in het zwembad is er niet bij.

Thuis heb ik al m’n zwembroek aangedaan. 

M’n kleren doe ik in een tas.

En de tas plaats ik in vak 10. 

 

Net als de andere banen, is baan 10 een halve baan. 

Het zwembad heeft namelijk zes banen, afgebakend door drijflijnen.

Dwars op die lijnen is een roodwit lint gespannen, zodat er twaalf vakken zijn. 

 

Het water is lekker als vanouds. 

Maar wat vóel ik me beperkt.

Zes slagen heen, zes slagen terug. 

Het is zwemmen in een aardbeienbakje. 

In De Scheg passen twaalf aardbeienbakjes. 

Zou een vis in een aquarium zich ook zo voelen? denk ik; telkens weer die wand, net als je lekker op gang bent? 

 

Na het zwemmen is er een andere looproute.  

De douches zijn gesloten. 

Afdrogen in een hokje, aankleden, en weer een looproute naar buiten. 

 

Daar sta ik, aan de achterkant van De Scheg. 

Ik loop rond het gebouw terug naar mijn fiets. 

 

Het was lekker, oké – maar wat mis ik het spontane contact met anderen. 

Behalve de dame bij de kassa heb ik niemand gesproken. 

Geen ‘goede morgen’ tegen mijn tegenligger in het water. 

Geen babbel onder de douche, geen gesprekje in de omkleedruimte, en geen ‘tot ziens’ tegen de medewerker van het zwembad. 

 

Mét de belijning, de hekken en de looproutes verdwijnt het spontane, de toevallige ontmoeting, en het zomaar-om-niet praatje. 

Mét de discipline waaraan ik me met anderen houd, verdwijnt de rafelrand van de samenleving; dat wat juist broodnodig is om mens te zijn. 

 

Soms is het irritant als het water vol is en je moet zoeken naar een vrije ruimte om je armen uit te slaan.

Maar veel liever dat dan de beperktheid van mijn aardbeienbakje en de steriele routes die ik ga in de zwijgende catacomben van het zwembad. 

 

Vorige week fietste ik op de Posbank.

Bij het uitzichtpunt raakte ik in gesprek met een andere fietser.

Hij zou deze week voor de tiende keer de Alp d’ Uzes fietsen – het grote sponsorevenement voor kankeronderzoek.

Bij een rustmoment een tijd later, sprak iemand mij aan over m’n fiets.

Ik rijd namelijk niet met een ketting maar met een riem.

Het werd een gesprek over de voor- en nadelen van zo’n riem, over fietsen door Europa en over kamperen. 

 

Was de Posbank afgezet met linten en hekken, ik had die gesprekken niet gehad. 

 

Waarmee ik niet wil zeggen dat we die looproutes enzo maar niet moeten doen. 

 

Maar wat ik wel besef is dit: hoe waardevol spontane, niet geplande, toevallige ontmoetingen zijn.  

En dat we dat spontane door linten, lijnen en looproutes uitwissen. 

Noodgedwongen – dat wel – maar toch. 

 

Een samenleving keurig binnen de lijntjes is geen samen-leving. 

Het is een isolatie-leving, steriel en afgebakend in vakken en hokken. 

Ik doe er aan mee omdat het moet. 

Ik doe eraan mee maar zie uit naar de tijd dat de lijnen in De Scheg verdwenen zijn en mijn aardbeienbakje in het tijdslot niet meer nodig is. 

 

Ik zie uit naar gedrang in het zwembad, op de markt en bij de frietkraam. 

Een lintenloze samenleving. Zo zal het weer zijn. 

 

Geschreven door predikant Henk Schuurman van Protestantse Gemeente Colmschate-Schalkhaar.