Vreemde tijden

Het zijn vreemde tijden. 

Deze dagen horen en zien we veel over 75 jaar bevrijding. 

Deventer was al bevrijd op 9 en 10 april, voor heel Nederland duurt het nog tot 5 mei. 

We hadden het ons anders voorgesteld.  

Groots zouden we dat bevrijdingsfeest vieren. 

Maar nu leven we in een tijd waarbij mensen in quarantaine leven, 

het is een tijd van crisis. 

Sommigen, de ouderen onder ons, denken terug aan hoe het was in de oorlog. 

De ervaring van opgesloten te zitten, niet naar buiten te mogen,  

de onzekerheid, de angst. 

En ook van proberen overal voedsel te bemachtigen, waarvandaan ook, hoe dan ook. 

Het is wat even ook gebeurde toen sommige mensen gingen hamsteren. 

 

Hoe overleef je dit? 

Hoe blijf je het verlangen wakker houden, de hoop, dat het weer anders zal zijn, 

weer vrij te zijn, elkaar te kunnen aanraken, elkaar weer echt te kunnen ontmoeten?

 

Ik heb gehoord en gelezen dat mensen die opgesloten zaten in de concentratiekampen elkaar verhalen vertelden: over lekker eten, over wat ze zouden kunnen doen als ze ooit uit het kamp zouden komen. 

Om de dromen en verlangens, de hoop wakker te houden,  

om overeind te blijven in die mensonwaardige vernederende situatie. 

Om zo te kunnen overleven. 

 

Wij zouden elkaar in deze tijd ook verhalen kunnen vertellen. 

Via de telefoon, beeldbellen, op kaartjes, in brieven, in e-mails. 

Wat houdt ons overeind in deze tijd?  

Wat is onze hoop?  

Waar verlangen wij naar? 

 

Eén van zo’n mooi verhaal wil ik graag aan u doorgeven. 

Het is het verhaal van Frederick, van Leo Lionni. 

 

Het is herfst en de muizen zijn bezig een voorraad aan te leggen voor de winter. 

Ze verzamelen beukennootjes, besjes, graankorrels. 

Ze zijn allemaal druk bezig. 

Behalve één. 

Eén muis werkt niet mee. 

De andere muizen worden een beetje boos. 

‘Waarom  werk jij niet mee, Frederick?’ vragen ze. 

‘Ik werk wel,’ zegt Frederick, 

‘Ik verzamel zonnestralen kleuren en woorden. Die hebben we ook nodig.’ 

 

Toen werd het winter. 

Eerst hebben de muizen nog genoeg te eten. 

Maar langzamerhand raakt hun voorraad op. 

Ze krijgen honger en worden koud en verdrietig. 

Wat nu? 

‘Hoe is het met jouw voorraad, Frederick?’ vragen ze. 

‘Doe je ogen maar dicht en wacht.’ 

En Frederick vertelt over de warme zomerzon. 

‘Nu stuur ik jullie de warme zonnestralen, voel je de warmte?’ 

 

Terwijl Frederick vertelt, worden de muizen warmer. 

‘En de kleuren, Frederick?’ vragen ze. 

Dan vertelt Frederick van de blauwe korenbloemen en van het gele graan. 

De muizen kunnen de kleuren duidelijk zien. 

‘En de woorden, Frederick?’ vragen ze dan. 

Dan draagt Frederick een gedicht voor over muizen, die samen de winter doorbrengen en dromen over de zon en over het graan. 

Ze moeten nog even wachten, dan komt de lente er weer aan. 

De muizen zuchten diep. 

Het was een prachtig gedicht. 

Ze zijn er echt van opgeknapt. 

Zo zorgde Frederick met zijn bijzondere voorraad dat de muizen door de winter heenkomen. 

 

Zo hoop ik dat wij elkaar ook deze moeilijke tijd helpen doorkomen, 

door elkaar te vertellen over wat ons overeind houdt, wat ons helpt om vol te houden, 

de mooie ervaringen,  

de warme gebaren van mensen om ons heen,  

de creatieve ideeën hoe onze wereld er uit zou kunnen zien. 

 

Kort geleden hoor de ik in het programma ‘Met het oog op morgen’ (hoe toepasselijk is die naam?) het lied van Ramses Shaffy: We zullen doorgaan tot we samen zijn. 

Laten we dat doen.