Het hondje…

Vorige week zijn we bij mijn schoonmoeder op bezoek geweest. Ze is in de tachtig, woont zelfstandig en redt zich onder normale omstandigheden heel  behoorlijk. We waren al een paar weken niet op bezoek geweest, want: coronacrisis. Maar nu het allemaal wat langer duurt hebben we de stoute schoenen aangetrokken en zijn toch maar op bezoek gegaan. Wel met de nodige voorzorgsmaatregelen. We hebben in de voortuin gezeten, op een stoeltje en een krukje, op ruim anderhalve meter afstand van elkaar. De enige die zich niet aan social distancing hield was haar hondje, dat erg blij was om ons te zien en graag op schoot wilde zitten.

Mijn schoonmoeder had het er niet makkelijk mee en daarmee vormt ze geen uitzondering.

De maatregelen betekenen een ontregeling van het normale dagelijks leven, waarin even boodschappen doen een vaste waarde is en de wandeling met het hondje een sociaal gebeuren.

Nu deed de buurman de boodschappen en liet die voor de deur achter. De wandeling met het hondje was een schichtig gebeuren waarbij er geen praatjes werden gemaakt. Angst, dat was er ook. En terecht. Wie de beelden van de IC’s heeft gezien, wie de verhalen heeft gehoord, die weet dat het een akelige ziekte is. Het is een nare angst, angst voor iets wat je niet kunt zien, wat je niet kunt ruiken of proeven. Die aardige buurman die de boodschappen brengt kan drager van het virus zijn, de toevallige passant, of – ja – zelfs je eigen kinderen. Zo sluipt de dood je leven binnen… Het is een angst die onder de huid kruipt.

Ik moest denken aan dat verhaal uit de bijbel, hoe de leerlingen van Jezus op de avond na Pasen bij elkaar zitten. Niet, zoals je misschien zou verwachten, vol van Paasvreugde, helemaal geen halleluja, nee, angst heeft hen in de greep. De deuren en ramen zijn gesloten, luiken ervoor. Beloken Pasen. Angst beheerst hun gedachten, angst dat hen hetzelfde staat te wachten als Jezus. Angst voor een gevaar dat je niet direct kunt zien. Je buurman kan degene zijn die je verraadt, een toevallige passant, je eigen kind…

Het verhaal vertelt dat – terwijl ze daar zo zitten – Jezus in hun midden komt. De opgestane. En dat hij tegen hen zegt: ‘Vrede zij met jullie’.

Ik vind dat mooi. Natuurlijk, je kunt zeggen: het is een onbegrijpelijk wonder dat hij in hun midden verschijnt terwijl de deur op slot zit. Maar je kunt het ook zo zien: waar mensen bij elkaar zijn, in hun angst, in hun nood, hun zorg, daar kun je soms ervaren dat er meer is dan die angst, nood en zorg. Dat er iets is wat je verbindt en draagt en bemoedigt. Iets wat vrede brengt. Misschien ervaar je in dat samen zijn wel iets van God.

Niet dat je daarna niet meer bang meer bent. Het gevaar is er. De angst is reëel. Maar je staat er niet alleen voor.

Dat vind ik een mooie gedachte. Ook voor de crisis waarin we verkeren, waarin ons normale leven op z’n kop staat, en veel mensen – heel herkenbaar – angstig en bezorgd zijn. En hoewel we nu niet dicht bij elkaar kunnen zijn, fysiek, we kunnen wel samen zijn. Op veilige afstand, via sociale media of telefoon. En in dat samenzijn kunnen we iets van vrede ervaren, iets van God misschien.

Toen we weg wilden gaan wilde ze ons een knuffel geven. Het was zo fijn geweest om elkaar weer even van nabij te zien en te spreken. Maar nee, zei mijn vrouw, terwijl ze stap achteruit deed. Nee nee, corona! O ja, antwoordde ze. En we schoten alle drie in de lach. Ook dat was bevrijdend. De enige die die middag een knuffel kreeg was het hondje.