Emmer en waterdrager

We hebben het de afgelopen tijd goed gedaan, met ons allen, 17 miljoen mensen, zo verschillend als we zijn.
Dat is toch een mooie basis voor zien dat we allen waardevol zijn. Ook in onze kwetsbaarheid.

 

Er is een sprookje uit India die ons vertelt dat we waardevol zijn ook als we niet volmaakt zijn.

Een waterdrager in India had twee grote emmers; elke emmer hing aan een uiteinde van een bamboestok die hij over zijn schouders droeg. Eén van de emmers had een barst, de andere emmer was in perfecte staat. Terwijl die tweede emmer aan het einde van de lange weg tussen de rivier en het huis van de meester een volle portie water afleverde, was tegen die tijd de gebarsten emmer nog maar halfvol.

 

Zo ging het elke dag. De waterdrager leverde altijd maar anderhalve emmer water af in het huis van zijn meester. Natuurlijk was de goede emmer bijzonder trots op zijn prestaties,momdat hij perfect voldeed aan het doel waarvoor hij gemaakt was. Maar de gebarsten emmer schaamde zich om zijn gebrek en voelde zich ellendig, omdat hij maar de helft kon presteren van wat je van hem had mogen verwachten.

Hij voelde zich nutteloos en zei op een dag tegen de waterdrager:

‘Ik schaam me en ik wil me bij jou verontschuldigen.’

‘Waarom?’ vroeg de waterdrager. ‘Waarom schaam je je?’

‘Omdat ik maar een halve portie water af kan leveren.

Door die barst verlies ik onderweg voortdurend water. Omdat ik zo weinig kan, moet jij zo hard werken en krijg je niet het volle loon voor je inspanning.’ antwoordde de emmer. De waterdrager begon te lachen en zei: ‘Als we dadelijk teruggaan naar het huis van mijn meester moet je eens goed letten op jouw kant van de weg.’ Toen ze de heuvel opliepen, zag de gebarsten emmer dat de berm volstond met prachtige wilde bloemen en dat troostte hem. Maar aan het einde van de reis voelde hij zich toch weer ongelukkig, omdat de helft van het water weer was weggelopen en hij verontschuldigde zich opnieuw bij de waterdrager omdat hij weer gefaald had.

 

De waterdrager bekeek de emmer en zei: ‘Heb je dan niet gezien dat er alleen maar bloemen groeien langs jouw kant van de weg en niet langs de kant van de andere emmer? Dat komt omdat ik altijd al wist dat je een beetje lekte en ik heb daar mijn voordeel mee gedaan. Ik heb bloemen gezaaid aan jouw kant van de weg en elke keer dat we terugkwamen van de rivier heb jij ze water gegeven. En zo heb ik telkens prachtige bloemen kunnen plukken om de tafel van mijn meester mee te versieren.

Als jij niet zou zijn zoals je nu eenmaal bent, dan zou ik nooit die bloemen hebben kunnen plukken.’ Elk mens kan een eigen bijdrage leveren binnen het geheel van de gemeenschap waarin iemand leeft, werkt, woont.

Aandacht geven, zorgvuldig zijn, trouw en betrouwbaar zijn, vriendelijkheid, gastvrijheid, praktisch handen uit de mouwen steken, organiseren, besturen. Zoveel gaven zijn nodig willen we als mensen samen kunnen leven, zoveel gaven zijn ook aanwezig als we ze maar willen zien, als we zelf ook kunnen zien wat onze gaven zijn.

 

Samen kan het zo een weefsel van verbondenheid en vertrouwen worden. Niet alleen voor onze eigen gemeenschap, maar dat kunnen we ook uitstralen naar mensen om ons heen;

bewoners uit de buurt, nieuwkomers en mensen die van oudsher hier wonen, mensen van alle leeftijden, vluchtelingen en mensen die een dak boven hun hoofd zoeken, mensen in al hun verscheidenheid.

Dat wij daar als inwoners van Deventer daarvan iets zichtbaar mogen maken, dat wens ik ons allen toe.